5. Kwaliteitszorg

Onderwijskwaliteit en kwaliteitszorg

Het College van Bestuur (CvB) heeft het scholenbrede schoolplan 2025–2029 vastgesteld, inclusief bijbehorende strategische doelen. De scholen hebben deze scholengroepbrede thema’s en ambities vertaald naar schooleigen doelen, passend bij hun context, populatie en onderwijsaanbod. Daarmee is een koers ingezet waarin scholen meer ruimte hebben om strategische doelen concreet te maken op schoolniveau, binnen heldere bestuurlijke kaders.

Beleidsadviseurs onderwijs en kwaliteitszorg en de kwaliteitszorgmedewerkers op de scholen hebben dit proces begeleid. Scholen hebben hun werkwijze bij het opstellen van schoolplannen onderling gedeeld en voorzien van feedback tijdens een gezamenlijke inspiratiesessie.

Het bestuurlijk toezicht is in deze schoolplanperiode tweeledig ingericht. Enerzijds ziet het CvB toe op de uitvoering van indicatoren uit het Onderzoekskader van de Inspectie van het Onderwijs en op de eigen scholengroepambities. Anderzijds verantwoorden scholen zich tijdens monitoringsgesprekken over de voortgang op hun schooleigen doelen. Voor de Raad van Toezicht is een overzicht ontwikkeld waarin per school de voortgang op inspectie-indicatoren en schooleigen doelen via kleurcodering wordt weergegeven. Dit overzicht vormt onderdeel van het (interne) toetsingskader voor toezicht en dialoog.

De gekozen werkwijze versterkt de verbinding tussen het strategisch beleidskader en de schoolplannen. Door te werken met drie thema’s en negen ambities is geborgd dat de basiskwaliteit uit het Onderzoekskader en de eigen ambities in alle scholen prioriteit krijgt. De explicietere uitwerking van met name OP3 (pedagogisch-didactisch handelen) heeft hierbij geleid tot gerichtere doordenking van leskwaliteit. De toekenning van de subsidie basisvaardigheden heeft een extra impuls gegeven aan beleid en uitvoering rond OP0 (basisvaardigheden).

De thema’s en ambities zijn – waar passend – gekoppeld aan indicatoren uit het Onderzoekskader.

  • Thema 1 – Onderwijs vanuit de Bron: OP0, OP1, OP3, OP4, OP6, OR1
  • Thema 2 – Ontspannen bij de Bron: OP2, VS1, SKA2
  • Thema 3 – Ontmoeten rond de Bron: VS2, OP1, OR2

OP, OR, VS en SKA verwijzen naar indicatoren uit het Onderzoekskader van de Inspectie van het Onderwijs.

Monitoring, evaluatie en narratief waarderen

In januari en juli 2025 vonden monitoringsgesprekken plaats tussen het CvB en de afzonderlijke directeuren, voorbereid door de afdeling Kwaliteitszorg. De focus lag op:

  • examenevaluaties;
  • versterking van de leerlingstem (students’ voice), ook als verificatiemiddel bij beleidskeuzes;
  • explicitering en zichtbaarheid van de pedagogisch-didactische visie in de lespraktijk (OP3);
  • implementatie van de toetsvisie;
  • beleid, uitvoering en monitoring van basisvaardigheden (OP0). Met name in het vmbo stromen leerlingen onder 1F in voor Nederlands, wiskunde/rekenen en Engels; dit vraagt om maatwerk op schoolniveau.

Daarnaast is narratief waarderen ingezet als vast onderdeel van de bestuurlijke dialoog. Directeuren delen in CvB-directeurenoverleggen bij toerbeurt een concrete gebeurtenis uit de schoolpraktijk en verbinden deze aan de schooleigen doelstellingen. Narratief waarderen vormt daarmee een aanvulling op cijfers en dashboards door context, betekenis en professionele duiding toe te voegen. Dit helpt om beter te begrijpen wat er achter ontwikkelingen zit en ondersteunt gerichtere besluitvorming en interventies.

Onderwijsresultaten

De onderwijsresultaten laten over het geheel genomen een positief beeld zien. Op alle scholen scoren OR1 (onderbouwpositie) en OR2 (onderbouwsnelheid) boven de norm. Dit wijst op een stevige basis in de onderbouw en een passend doorstroomtempo voor leerlingen.

Ten aanzien van OR3 (bovenbouwsucces) scoren de onderbouwlocaties voor havo en vwo (Marnix en Lekkerkerk) onder de norm. Dit hangt samen met het feit dat leerlingen na havo 3 en vwo 3 doorstromen naar een andere locatie, waardoor resultaten in de daaropvolgende leerjaren niet meer meetellen. Bij scholen waar leerlingen de bovenbouw starten en afronden geeft het meerjarige gemiddelde daarom een realistischer beeld. Bij onderbouwlocaties gebruiken we OR3 vooral trendmatig en duiden we dit in samenhang met doorstroom-/afstroomgegevens en aanvullende indicatoren zoals OR1, OR2 en OR4 op de ontvangende bovenbouwlocaties.
Tegelijk blijft het belangrijk om afstroom naar het mbo scherp te volgen en leerlingen hierbij zorgvuldig te begeleiden. Op beide scholen is een positieve ontwikkeling zichtbaar: in Lekkerkerk met name bij havo en op Marnix binnen vwo. Deze trends geven aanleiding tot vertrouwen, hoewel verdere monitoring en gerichte sturing nodig blijven.
Voor OR4 (examenresultaten) geldt dat deze op alle scholen boven de norm liggen, wat bevestigt dat leerlingen in de examenfase hun opleiding succesvol afronden.

Toetsing en examinering

Binnen de scholengroep is de documentatie rondom toetsing en examinering ingericht en geborgd. Jaarreflectieverslagen maken onderdeel uit van de monitoringscyclus in het kader van OP6. Daarbij zijn onder meer de adviezen van examencommissies aan bevoegd gezag en directie over de kwaliteit van de schoolexaminering besproken.

Op een beperkt aantal scholen is de examencommissie actief betrokken bij de implementatie van richtinggevende uitspraken uit de toetsvisie die scholengroepbreed is vastgesteld. Op andere scholen is deze implementatie opgepakt door de commissie toetsbeleid. Beide werkwijzen ondersteunen de vertaalslag van visie naar uitvoering. Continuïteit en expertise blijven aandachtspunten, onder meer bij vervanging van vertrekkende commissieleden en het borgen van kennis over toetskwaliteit en examinering.

Sociale veiligheid en gelijke behandeling

In het voorjaar van 2025 zijn het leerlingtevredenheidsonderzoek (LTO) en het oudertevredenheidsonderzoek (OTO) afgenomen door Mar-Research. Naast de verplichte set vragen zijn verdiepende vragen toegevoegd over veiligheid, schoolklimaat en levensbeschouwelijke onderwerpen. De resultaten zijn besproken op schoolniveau en in de monitoringsgesprekken en gedeeld met staffunctionarissen Zorg.

Het LTO laat een gemiddelde tevredenheid van 7,1 zien (boven de benchmark van 6,8). Leerlingen scoren hoog op sfeer (7,6; benchmark 7,0) en veiligheid (9,5; benchmark 9,1). Aandachtspunt blijft het domein Eigentijds onderwijs, met name de ICT-voorzieningen. De relatief lagere score wordt vooral beïnvloed door de vraag: “Werken computers, laptops of tablets goed op je school?” (6,0; benchmark 7,2). Vanuit onze onderwijsvisie blijft de interactie tussen docent en leerling leidend; tegelijk is het van belang dat de digitale randvoorwaarden betrouwbaar zijn. Dit verbeterpunt wordt per locatie opgepakt en gemonitord.

Het OTO laat een gemiddelde tevredenheid van 8,3 zien (ruim boven de benchmark van 7,4). Ouders waarderen vooral de communicatie (8,6; benchmark 7,9) en het schoolklimaat (8,1; benchmark 7,7). Ook hier blijft het onderdeel ICT binnen Eigentijdse voorzieningen relatief achter (8,3; benchmark 8,4).

Het medewerkerstevredenheidsonderzoek (MTO) wordt tweejaarlijks uitgevoerd; de eerstvolgende afname staat gepland voor het voorjaar van 2026.

Leerprestaties verbeteren en basisvaardigheden

Jaarlijks worden de leerprestaties van leerlingen geëvalueerd. Zowel examenresultaten als relatieve scores per vak worden geanalyseerd; het onderwijsresultatenmodel wordt benut om achterblijvende prestaties te signaleren. Iedere school beschikt over een kwaliteitszorgmedewerker. De beleidsadviseur kwaliteitszorg vervult een coördinerende rol in de scholengroepbrede aanpak om structureel te werken aan goede leerprestaties.

Voor de basisvaardigheden is extra focus aangebracht op Taalvaardigheid, rekenvaardigheid, digitale geletterdheid en burgerschap. De subsidie Basisvaardigheden is toegekend en wordt planmatig ingezet om curriculum en uitvoering op de scholen te versterken, met nadruk op leesvaardigheid (in samenwerking met lokale bibliotheken) en onderbouwde remediëring voor taal en rekenen. Daarnaast vertalen scholen met deze middelen de al in kaart gebrachte leerlingpopulatie naar concretere, doelmatige doorlopende leerlijnen en beter passend burgerschapsonderwijs.

Curriculumvernieuwing

In 2025 heeft de scholengroep zich op verschillende manieren voorbereid op de invoering van het nieuwe curriculum. Dit onderwerp is opgenomen in professionaliseringsmomenten voor docenten, sectieleiders en leidinggevenden. In deze fase lag de nadruk op informatie en bewustwording. In de komende jaren krijgt de voorbereiding een meer inhoudelijk karakter binnen secties. Leidinggevenden (directeuren, adjuncten, sectieleiders) worden hierbij toegerust om het veranderproces goed te kunnen begeleiden.

Klachten

In 2025 kwamen er geen klachten binnen bij het bestuur. De klachtenprocedure is inzichtelijk op de website.

Bestuurlijke reflectie en externe instrumenten

Er vond overleg plaats tussen RvT, CvB en de beleidsadviseur kwaliteitszorg over zicht op kwaliteit en de vernieuwde monitoringsaanpak. Daarnaast is het gesprek gestart met het Hoornbeeck College (mbo) over studiesucces van vmbo-leerlingen en (vroegtijdig) schoolverlaters uit havo en vwo. Het CvB, de controller en de beleidsadviseurs hebben een zelfevaluatie uitgevoerd met behulp van de Caleidoscan van de VO-raad; de inhoudelijke bespreking hiervan vindt in 2026 plaats.

Slotreflectie – zicht op kwaliteit en leren

2025 markeert een omslagjaar in de wijze waarop binnen de scholengroep wordt gestuurd op kwaliteit. Door scholen ruimte te geven voor schooleigen doelen binnen bestuurlijke kaders is het gesprek over onderwijskwaliteit concreter geworden. De aanpak is erop gericht dat ambities worden vertaald naar toetsbare doelen en herkenbare afspraken over leskwaliteit.

De uitwerking van OP3 (pedagogisch-didactisch handelen) blijft daarbij een belangrijk aandachtspunt. Waar scholen dit gezamenlijk hebben uitgewerkt, ontstaat meer houvast in de lespraktijk; waar dit nog onvoldoende is uitgewerkt, vraagt dit om gerichte versterking. De combinatie van monitoring en narratieve duiding verdiept het bestuurlijk zicht: cijfers geven richting, ervaringen uit de scholen helpen begrijpen wat er achter ontwikkelingen zit.

Voor de komende periode ligt de focus op:

  • borgen van afspraken over pedagogisch-didactisch handelen;
  • samenhang in burgerschapsonderwijs;
  • basisvaardigheden scholengroepbreed;
  • expliciet verbinden van monitoring aan besluitvorming en interventies.

Het bestuur ziet dat er stappen zijn gezet, onder meer in de implementatie van de toetsvisie, de evaluatie van examenresultaten en gerichte professionalisering rond “wat is een goede les”. Tegelijkertijd blijven doelgerichte opvolging en borging nodig om deze ontwikkeling duurzaam te verankeren.